Samenvatting voorontwerp IP

Effecten op de omgeving

In het kader van het MER is uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de milieugevolgen van de verschillende alternatieven voor de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding van Rilland tot aan Tilburg. Na de variantenafweging in het MER zijn voor verschillende onderwerpen nadere onderzoeken uitgevoerd naar de effecten en inpassing van het gekozen tracé. De uitkomsten hiervan worden hieronder kort beschreven.

Magneetveldzones

Het magneetveld van bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een jaargemiddelde sterkte van 0,4 microtesla of meer brengt mogelijk verhoogde gezondheidsrisico’s met zich mee voor kinderen. Daarom is het aantal gevoelige bestemmingen in de indicatieve magneetveldzone van het bovengrondse deel van het VKA in beeld gebracht. Gevoelige bestemmingen zijn woningen, crèches, scholen en kinderopvangplaatsen. Bij de tracering zijn zoveel als redelijkerwijs mogelijke gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone voor de nieuwe verbinding vermeden. Het aantal gevoelige bestemmingen is in deze fase (voorontwerpinpassingsplan) bepaald op basis van de indicatieve magneetveldzone. Bij het ontwerpinpassingsplan zal de specifieke magneetveldzone berekend zijn en zullen de getallen indien nodig nog worden aangepast. De specifieke zone valt altijd binnen de indicatieve zone. In totaal komen binnen de nieuwe verbinding 58 nieuwe objecten binnen de indicatieve magneetveldzone te liggen. Het gaat hierbij in alle gevallen om bestaande woningen. Van de gevoelige bestemmingen (zowel papieren als feitelijk bestaande), waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij in de magneetveldzone komen te liggen, is beoordeeld of deze kunnen blijven bestaan. Op locaties waar een gevoelige bestemming kan worden gerealiseerd, maar feitelijk nog niet aanwezig is (papieren gevoelige bestemming), kan zonder een onevenredige belangenaantasting worden vermeden dat alsnog feitelijk een gevoelige bestemming wordt gerealiseerd. Voor de gerealiseerde gevoelige bestemmingen binnen de specifieke magneetveldzone geldt dat TenneT eigenaren een aanbod voor aankoop van het huis en bijbehorende erven of tuin doet. Ook huurders van woningen worden desgewenst in de gelegenheid gesteld om op basis van een volledige schadeloosstelling te verhuizen. Indien de eigenaar niet wenst te verkopen, is het in beginsel mogelijk en aanvaardbaar om het huidige gebruik voort te zetten en dan heeft de eigenaar recht op een schadevergoeding. Er kunnen andere milieufactoren in de omgeving zijn die maken dat het alles overziend niet aanvaardbaar is dat het huidige gebruik toch wordt voortgezet. In dat geval wordt de bestemming via dit inpassingsplan gewijzigd en wordt er zo nodig onteigend. De verwachting is dat dit voor dit project niet noodzakelijk is. Voor gerealiseerde gevoelige bestemmingen die buiten de berekende specifieke magneetveldzone vallen is in de planregels verzekerd dat zij ook na aanleg, dus in de gebruiksfase, bij wijziging van masten of mastposities buiten de specifieke magneetveldzone blijven vallen.

Landschap en cultuurhistorie

Vanwege het schaalniveau, waarop de ontwikkeling van de nieuw hoogspanningsverbinding plaatsvindt, is bij de bepaling van het tracé rekening gehouden met het nationale en regionale beleid op het gebied van landschap en cultuurhistorie. Bij het beoordelen van de effecten op landschap worden drie niveaus onderscheiden: tracéniveau, lijnniveau en mastniveau:

  • op het tracéniveau gaat het om het effect van de hoogspanningsverbinding op het landschappelijke hoofdpatroon en om de kwaliteit van de verbinding als bovenregionaal landschapselement;
  • op het lijnniveau gaat het om het effect van de verbinding op het karakter van het landschap (gebiedskarakteristiek en de cultuurhistorische elementen daarin) en op specifieke elementen en hun samenhang op het schaalniveau van de lijn;
  • op het mastniveau gaat het om het effect van de verbinding op specifieke elementen en hun samenhang op het lokaal schaalniveau.

Hierbij geldt dat het tracé van een hoogspanningsverbinding autonoom moet zijn, zo veel mogelijk los staan van de kleinschalige verschijnselen in het lokale landschap. Waar dat niet mogelijk is en richtingsveranderingen of verschillen in masthoogte onvermijdelijk zijn, krijgt het tracé bij voorkeur een samenhang met andere landschapspatronen van een vergelijkbaar schaalniveau als de hoogspanningsverbinding zelf zoals snelwegen of grote rivieren.

Landschappelijk hoofdpatroon In het tracédeel Rilland – Roosendal ligt het tracé over een langere afstand ondergronds. De bestaande 150 kV-verbinding wordt hier tevens geamoveerd. Hierdoor is er bovengronds over een langere afstand geen hoogspanningsverbinding meer zichtbaar. Dit leidt tot een licht positief effect op het landschappelijke hoofdpatroon. Voor de overige tracédelen bundelt het tracé grotendeels met de bestaande 380 kV-verbinding en heeft het hierdoor nauwelijks effect op het landschappelijke hoofdpatroon of wordt het hierdoor zelfs enigszins versterkt. Gebiedskarakteristiek De gebiedskarakteristieken zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van subgebieden, dit zijn geografische eenheden met een eigen gebiedskarakteristiek. De mate waarin hoogspanningsverbindingen en opstijgpunten aanwezig zijn in het landschapsbeeld en al dan niet contrasteren met het landschappelijke karakter is bepalend voor hun effecten op de gebiedskarakteristiek. Het effect van de verbinding is ook afhankelijk van de openheid van het landschap, afwijkingen in richting en complexe situaties in de lijn of opstijgpunten. Daarnaast speelt de forsheid van de bundel mee in het effect van bovengrondse tracédelen. In het tracédeel Roosendaal – Moerdijk bundelt het tracé over een lage afstand met de bestaande infrastructuurbundel. Dit leidt tot een licht negatief effect op de gebiedskarakteristiek. In de tracédelen Moerdijk – Geertruidenberg en Geertruidenberg – Tilburg bundelt het tracé met de gereconstrueerde bestaande verbinding en vormt een nieuwe doorsnijding van het landschap. Plaatselijk ontstaan licht positieve effecten door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding, op veel plekken heeft het tracé echter een licht negatief effect op de gebiedskarakteristiek. Tussen Rilland en Roosendaal ligt het tracé over een langere afstand ondergronds. Daarom is er bovengronds over een langere afstand geen hoogspanningsverbinding meer zichtbaar. Dit leidt tot een neutraal effect op de gebiedskarakteristiek.

Samenhang van elementen De komst van een hoogspanningsverbinding kan een groot effect hebben op elementen in het landschap. Landschapselementen zijn bijvoorbeeld dorps- en stadssilhouetten, verte-kenmerken, bebouwingslinten of bijzondere bosjes of lanen. Wanneer de samenhang tussen elementen en het landschap door de verbinding wordt verstoord of landschapselementen worden aangetast is er sprake van een negatief effect. Er kunnen ook positieve effecten optreden, bijvoorbeeld als door het slopen van de bestaande verbinding een verbroken samenhang wordt hersteld. In het tracédeel Rilland – Roosendaal heeft het tracé een positief effect bij de zichtas van de Brabantse Wal door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding. Ook bij Woendrecht treedt een licht positief effect op, omdat het tracé hier ondergronds komt te liggen. Voor het tracé deel Moerdijk – Geertruidenberg heeft het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding ter hoogte van Hooge Zwaluwe een licht positieve invloed op de samenhang tussen het silhouette van Hooge Zwaluwe en het omliggende landschap In het tracédeel Geertruidenberg – Tilburg worden door het verwijderen van de bestaande 150 kV-verbinding de interne samenhangen in het bebouwingslint Oosteind hersteld. Ook ontstaat een licht positief effect bij bebouwingslint de Moer.

Landschapsplan In het landschapsplan voor de nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg worden inrichtingsmaatregelen vanuit de relevante milieuaspecten (landschap, cultuurhistorie, natuur, leefomgeving en water) opgenomen die noodzakelijk zijn voor een goede inpassing van de nieuwe verbinding in het landschap. Hierbij worden de opgenomen maatregelen waar mogelijk en zinvol gecombineerd en zijn integrale inrichtingsmaatregelen ontworpen die een functie voor zowel de landschappelijke inpassing als de compensatie van ecologische waarden. Het doel van de voorgestelde inrichtingsmaatregelen in het landschapsplan is om de effecten van de nieuwe hoogspanningsverbinding te mitigeren of compenseren. Het mitigeren van effecten op het landschap gebeurt door het aanbrengen of wijzigen van beplanting of versterken van de bestaande landschapsstructuur of elementen daarvan. In de huidige versie van het landschapsplan is de opgave voor natuur en landschap geformuleerd. Daarnaast zijn op basis van de effecten van de verbinding en bestaand beleid en plannen zoekgebieden aangewezen waar de inrichtingsmaatregelen gerealiseerd kunnen worden.

Natuur

De bescherming van de natuurgebieden en dier- en plantensoorten zijn samengebracht in de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor de beoogde ontwikkeling zijn met name de onderwerpen soortenbescherming (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn) en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerp Nederland) van belang. Natura 2000 Uit de passende beoordeling blijkt dat de werkzaamheden voor de aanleg van de nieuwe verbinding kunnen leiden tot verstoring van broed- en leefgebieden van diverse soorten. Daarnaast blijkt dat door een toename in lengte van enkele deelverbindingen het aantal draadslachtoffers voor verschillende soorten mogelijk toeneemt. Dit kan leiden tot een afname van de omvang van de vogelpopulatie in de verschillende Natura 2000-gebieden. Uit de passende beoordeling blijkt dat het noodzakelijk is om maatregelen te nemen ter bescherming van deze diersoorten. Uit de ecologische beoordeling stikstof blijkt tot slot dat de depositie dusdanig laag is, dat deze niet kan leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland In het kader van het Natuurnetwerk Nederland en het areaalverlies dat optreedt als gevolg van de nieuwe verbinding wordt een natuur- en landschapscompensatieplan opgesteld. Dit wordt gelijktijdig met het vooroverleg van het voorontwerpinpassingsplan opgesteld en zal in het ontwerpinpassingsplan worden opgenomen. Soortenbescherming Als gevolg van de nieuwe verbinding kan het aantal draadslachtoffers mogelijk toenemen. Hiervoor is een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming nodig. Speciale aandacht is vereist voor die soorten waarbij niet is uit te sluiten dat de toename van het aantal draadslachtoffers de 1%-mortaliteitsnorm passeert. Door het nemen van mitigerende maatregelen in de vorm van varkenskrullen is voor deze soorten het aantal draadslachtoffers te beperken. Vleermuizen Alle voorkomende vleermuizen in Nederland zijn strikt beschermd, ongeacht de soort. Ook groenstructuren die worden gebruikt als vliegroute en foerageergebied zijn beschermd en mogen niet worden aangetast. Afhankelijk van het gebruikspatroon (soorten en aantallen vleermuizen) kan het verlies van bomenrijen of bosgebieden ter plaatse worden gemitigeerd. Indien dit ter plaatse niet mogelijk is, kan worden gecompenseerd, zodat de functionaliteit van de vliegroute en/of het foerageergebied wordt gewaarborgd. Als zowel mitigatie als compensatie niet mogelijk is, moet een ontheffing in het kader van de Wnb worden aangevraagd voor een belang uit de Habitatrichtlijn. Bij het doorsnijden van bomenrijen is de verwachting dat voornamelijk vliegroutes (en foerageergebieden) worden aangetast. Door het plaatsen van (lagere) bosschages ter plaatse van de te kappen bomen, kan het lijnvormige element, en daarmee de vliegroute, in stand worden gehouden. De Wnb vormt hierdoor geen belemmering voor het realiseren van de hoogspanningsverbinding. Amfibieën Voor de amfibieën geldt dat er bij de aanleg van de verbinding voldoende ander leefgebied is. Zoogdieren In het plangebied bevinden zich geen zoogdieren waarbij een permanent verlies aan leefgebied optreedt.

Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met een ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij is het verplicht om een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarin de waterbeheerder en initiatiefnemer gezamenlijk de effecten van het plan op het water en mogelijke maatregelen om deze effecten te verkleinen vroegtijdig in beeld brengen en daarmee verankeren in het plan. Uit de watertoets blijkt dat het niet noodzakelijk is om compenserende of mitigerende maatregelen te nemen op basis van de beschikbare informatie. De aangenomen toename in verharding vraagt niet om compensatiemaatregelen. Wel dient er rekening mee gehouden te worden dat voor enkele activiteiten mogelijk een watervergunning aangevraagd dient te worden, of een melding gemaakt moet worden. Dit geldt op locaties waar eventueel bemaling vereist is voor de werkzaamheden. Daarnaast geldt dit voor locaties waar het tracé of de masten raken aan oppervlaktewater of waterkeringen. Voor de werkzaamheden in de grondwaterbeschermingszone wordt voorafgaand aan de realisatie afgestemd met het bevoegd gezag. Ten aanzien van de waterhuishouding is het aannemelijk dat de benodigde watervergunningen verleend kunnen worden. Het aspect water levert geen belemmeringen voor het inpassingsplan.

Bodem

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient er rekeningen te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Als er sprake is van bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. In het studiegebied zijn potentiële en/of bestaande bodemverontreinigingen aanwezig. Bestaande verontreinigingen zijn door onderzoek aangetoond. Bij potentiële verontreinigingen bestaat er op basis van historische activiteiten een vermoeden dat er een verontreiniging is, dit vermoeden is echter nog niet geverifieerd. Bij het funderen van de masten worden aanwezige lokale verontreinigingen indien nodig gesaneerd. Het saneren van bodemverontreinigingen wordt in principe aangemerkt als een positief milieueffect, negatieve effecten doen zich niet voor. In de tracédelen Rilland – Roosendaal en Roosendaal - Moerdijk doorsnijdt het tracé geen (potentiële) verontreinigingslocaties en heeft hierdoor in deze delen van het tracé geen effect. In het tracédeel Geertruidenberg – Tilburg doorsnijdt het voorkeurstracé nabij Loon op Zand een (potentiële) verontreinigingslocatie. Het totale oppervlak is beperkt.

Archeologie

Ten aanzien van archeologie is de Erfgoedwet het wettelijke kader voor omgang met erfgoed. Daarnaast hebben de provincies Zeeland en Noord-Brabant als doel om de cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Ook beschikken de verschillende gemeenten over eigen archeologiebeleid, wat volgt uit het provinciaal en rijksbeleid. Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is per landschap de archeologische verwachting bepaald. Dit is vertaald in een advieskaart. Voor de verschillende kaarteenheden uit de advieskaart zijn onderzoeksadviezen geformuleerd. Voor deze locaties wordt voorafgaand aan de werkzaamheden het geadviseerde onderzoek uitgevoerd om de archeologische waarden ter plaatse in beeld te brengen. De adviezen gelden allen voor nieuwe bodemingrepen, dus bij aanleg van de nieuw 150 kV-verbinding, de nieuwe 380 kV-verbinding en de stationslocaties. Voor het amoveren van bestaande kabels en masten is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. De bodem is hier immers al verstoord.

Geluid

Hoogspanningsverbinding Hoogspanningsverbindingen kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en vooral bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen (coronageluid). Er is voor coronageluid en windfluiten, anders dan voor bijvoorbeeld industrie-, spoor- of wegverkeerslawaai, in Nederland en ook internationaal geen (wettelijk) toetsingskader voorhanden. De mogelijke geluidseffecten van de verbinding en de aanvaardbaarheid daarvan zijn daarom beoordeeld op basis van berekeningen en (belevings)onderzoek naar geluid vanwege hoogspanningsverbindingen. Hoogspanningsstations Bij uitbreidingen worden enkel geluidsbronnen gewijzigd, die een effect zouden kunnen hebben op de maximale (piek) geluidniveaus. Voor toetsing van de maximale (piek) geluidniveaus kan uitgegaan worden van standaardvoorschriften uit het Activiteitenbesluit: 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dagperiode (07.00–19.00 uur), avondperiode (19.00–23.00 uur) en nachtperiode (23.00–07.00 uur). Geluidseffecten In het kader van de nieuwe verbinding en de uitbreiding van 150 kV-station Oosteind is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat langs het tracé vier objecten binnen een afstand van 37 meter (voor coronageluid hanteert TenneT een ontwerpnorm van 37 meter van de as van de lijn) van een mast aanwezig zijn, waarbij een overschrijding van de gestelde limietwaarde voor coronageluid kan optreden. De vier objecten zijn allen overige gebruiksfuncties of een industriefunctie. Er zijn geen woonfuncties of andere geluidsgevoelige objecten gelegen binnen de zone van 37 meter van een hoogspanningsmast. Voor de uitbreiding van 150 kV-station Oosteind geldt dat er wijzigingen worden doorgevoerd bij de vermogensschakelaars. Deze zijn van belang voor de piekbelastingen op de omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat het maximale geluidsniveau op de woningen ter plaatse maximaal 68 dB(A) in de dagperiode bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau. In een incidentele bedrijfssituatie zullen de vermogensschakelaars ook in de avond- en nachtperiode gebruikt worden, hierdoor worden de maximale geluidsniveaus in de avond- en nachtperiode wel overschreden. Omdat het hierbij gaat om incidentele effecten, minder dan 12 keer per jaar, is dit niet representatief voor de bedrijfssituatie en kan dit buiten beschouwing worden gelaten. De aanpassingen aan het hoogspanningsstation leiden niet tot onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bestaande woningen.

Externe veiligheid

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient ten aanzien van externe veiligheid te worden beoordeeld of de bedrijvigheid waar activiteiten plaatsvinden gevolgen hebben voor de externe veiligheid en of er sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor de nieuwe hoogspanningsverbinding geldt dat dit geen gevoelige functie is, noch een leiding in het kader van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Echter kan in het kader van de ondergrondse verbinding mogelijk wel sprake zijn van beïnvloeding van de hoogspanningsverbinding op de naastgelegen buisleidingen. In het kader van de ligging van de ondergrondse hoogspanningsverbinding op nabije afstand van de buisleidingenstraat wordt een beïnvloedingsonderzoek uitgevoerd. De ondergrondse hoogspanningsverbinding levert geen significante beperkingen op ten aanzien van het gebruik van de bestaande buisleidingenstraat.