Wij werken aan het project

In de projectgroep van TenneT werken deskundigen vanuit verschillende disciplines. Onder andere techniek en landschappelijke inpassing. In dit hoofdstuk een gesprek met de betrokken mensen van deze disciplines.

Aan de tekentafel

Parallel aan het participatieproces om locaties te bepalen voor de hoogspanningsstations, werken verschillende teams aan het ontwerp van de stations en het kabeltracé. Lead engineer Sidney Wijnbergen en kabelengineer Wim den Haas lichten toe wat daar allemaal bij komt kijken.

Sidney Wijnbergen

Wim den Haas

Open installatie

Samen met een team van engineers werkt Sidney aan het ontwerp van de nieuwe hoogspanningsstations. “Het hoogspanningsnet en de daarbij behorende stations zijn eigenlijk de slagaders van het elektriciteitsnetwerk, daar mogen geen storingen in optreden”, begint Sidney. “Daarom moet zo’n installatie op een bepaalde manier opgebouwd worden. Bij het ontwerpen van de twee hoogspanningsstations hebben we gekozen voor een open installatie. Hierbij wordt lucht gebruikt als isolatiemateriaal. Dit soort installaties neemt relatief gezien meer plek in beslag dan gesloten installaties, maar als er in de toekomst problemen ontstaan, zijn deze makkelijker op te lossen. In de kleinere installaties, geïsoleerd door gas in plaats van lucht, zijn reparaties veel lastiger uit te voeren. Bovendien is het onderhoud aan open installaties makkelijker uit te voeren en zijn ze beter voor het milieu.”

Maatwerk

Bij het ontwerpen van een hoogspanningsstation zijn er veel factoren waar het team van engineers rekening mee moet houden. Sidney: “Een hoogspanningsstation is in feite een grote groepenkast, zoals je die thuis in de meterkast ook hebt hangen. Alleen dan voor hoogspanning in plaats van laagspanning. De grootte van het station hangt af van het aantal en het soort ‘groepen’ dat je nodig hebt, nu en in de toekomst. Dat is voor vrijwel ieder hoogspanningsstation weer anders. Daarmee is het bouwen van zo’n station eigenlijk altijd maatwerk. In aanloop naar de locatiekeuze ontwerpen we het station eerst en vooral alsof het zweeft: we maken een basisontwerp met de onderdelen die op het station komen. Na de locatiekeuze wordt er onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld grondgesteldheid, archeologie en natuur. Op basis van de uitkomsten van die onderzoeken beginnen we met de detailengineering. We doen dat alles in nauw overleg met Enduris en Enexis. TenneT bouwt en beheert het 380- en 150 kV-gedeelte van de stations. Enduris en Enexis bouwen en beheren de 20 kV-gedeeltes van de stations. Zij zijn dus ook zelf verantwoordelijk voor de engineering van dat gedeelte van het station.”

Route plannen

Als kabelengineer kreeg Wim den Haas de opdracht om geschikte kabeltracés te onderzoeken om de twee nieuw gebouwde hoogspanningsstations met elkaar te kunnen verbinden. “We hebben grofweg twee verschillende opties voor de aanleg van het tracé: een noordelijke route via Steenbergen en Sint Philipsland, en een meer zuidelijk gelegen route over Tholen. Het uiteindelijke tracé hangt af van de locatiekeuze van de hoogspanningsstations. Bij het bepalen van een kabeltracé houden we rekening met verschillende factoren en komen we regelmatig voor uitdagingen te staan. We zoeken altijd naar een optimale route, waar we zo min mogelijk belemmeringen tegenkomen.”

Open ontgraving, tenzij…

Bij het zogenaamde ‘traceren’ wordt zoveel mogelijk geprobeerd om bestaande infrastructuur en perceelgrenzen te volgen. Wim: “We leggen de kabels het liefst op goed bereikbare locaties, dus niet middenin een land. Dat is wel zo prettig voor de perceeleigenaar, ook wanneer er later op een moflocatie, dat zijn de verbindingsstukken waar we twee stukken kabel aan elkaar koppelen, onderhoud moet plaatsvinden. De aanleg van de kabel gebeurt in principe met een open ontgraving. Tenzij we drukke wegen, dijken of natuurgebieden moeten kruisen. In dat geval ontgraven we de moflocaties en boren we vanaf daar de kabels door de grond. Het grote voordeel van boren, is dat je enkel bij de in- en uittredepunten van de boringen moet ontgraven.” Om de kabels te leggen is een werkstrook van zo’n 15 tot 35 meter breed nodig, afhankelijk van de locatie van het zandopslag. Uiteindelijk komen de kabels ongeveer 1,8 meter onder de grond te liggen. De originele bodem wordt na de aanleg volledig hersteld in de originele staat, zodat agrariërs hier geen nadeel van ondervinden.

Uitdagingen

De grootste uitdaging in het project, vormt de lange boring onder het mastgat. Die is nodig als het zuidelijke tracé wordt gekozen. Wim: “Hoe langer de kabel, hoe meer kracht je nodig hebt om de kabel te trekken. Die kracht kan zo groot worden, dat je de kabel kapot trekt. Een andere uitdaging is de thermische geleidbaarheid, de G-waarde, van de bodem. Bij vermogenstransport door de kabels komt warmte vrij. De kabels moeten die warmte kunnen afvoeren aan de omgeving. Maar bij de ene bodemsoort gaat dat wat beter dan in de andere. Je wilt niet dat de kabel oververhit raakt, of de bodemsamenstelling verandert door de temperatuur. Daarom onderzoeken we vooraf de bodemsoort en de G-waarde van de bodem. Op land kun je dat eenvoudig doen met een sondering, maar onder water in Natura-2000 gebied vergt dat iets meer tijd. Als de G-waarde van de bodem ter plekke ongunstig is, kunnen we eventueel een dikkere kabel gebruiken. Maar dat heeft weer als uitdaging dat de zware kabelhaspel per schip moet worden aangevoerd. Gelukkig hebben we voor vrijwel alle uitdagingen wel een passende oplossing. Dat maakt ons werk zo leuk.”

Hoe maak je een hoogspanningsstation onderdeel van een landschap?

De aanleg van een nieuw hoogspanningsstation heeft invloed op de omgeving. Er vindt een forse ingreep in het landschap plaats. Wij hebben de maatschappelijke opdracht om een zo goed mogelijke, duurzame inpassing te realiseren in een omgeving waarin mensen wonen, werken en recreëeren. Samen met omwonenden en belanghebbenden kijken we hoe de nieuwe hoogspanningsstations zo goed mogelijk ingepast kunnen worden in het bestaande landschap. Landschapsarchitecte Mascha Visser vertelt hoe dit proces eruit ziet.

“Al tijdens het proces om tot locatiekeuze te komen, nemen we omwonenden mee in de aanpak van de landschappelijke inpassing”, begint Mascha. “Ik ben begonnen met het maken van een landschapsanalyse. Op basis van de reacties van omwonenden is die aangescherpt. Daarnaast kijk ik ook naar de mate van inpasbaarheid. Op de ene locatie is landschappelijke inpassing van een hoogspanningsstation eenvoudiger dan op een andere. Als er bijvoorbeeld al een dijk ligt of een bosje staat, is dat makkelijker. Of als het station gedraaid kan worden op een manier dat er geen cultuurhistorische patronen worden doorbroken.”

In gesprek met omwonenden

Zodra er een locatiekeuze gemaakt is, begint het werk pas echt voor Mascha. “We gaan dan in gesprek met omwonenden om te kijken hoe we het hoogspanningsstation zo goed mogelijk in de omgeving kunnen inpassen”, vertelt Mascha. “Ons streven is om het station netjes bij het landschap aan te laten sluiten. Het is begrijpelijk dat omwonenden niet blij zijn met de komst van een hoogspanningsstation in de omgeving. In gesprekken wil ik de omwonenden laten zien hoe we zo’n station toch op een goede manier onderdeel kunnen maken van het landschap, zonder dat het een doorn in het oog wordt.”

Bouwstenen

Om een hoogspanningsstation in te passen in de omgeving maken we gebruik van verschillende bouwstenen. Je kan het station bijvoorbeeld wegstoppen achter een rij bomen of een dijk, of je kiest juist voor behoud van openheid met lage begroeiing. Er gaan een heleboel stappen vooraf aan het kiezen van de beste oplossing. “Allereerst is het heel belangrijk om te weten op welke locatie het station precies komt. Het is echt maatwerk. Eerst analyseer ik de omgeving van de locatie waar het station komt. Daarna ga ik kijken welke bouwstenen daar bij passen. Rietvelden gebruik je bijvoorbeeld niet bij een station dat in een bosrijke omgeving komt, maar passen wel goed bij een locatie in de buurt van water. Op andere locaties passen dijken of bomen weer beter.”

Extra kansen

Zodra de locatiekeuze is gemaakt en de beschikbare ruimte duidelijk is, werkt Mascha in overleg met omwonenden een landschapsplan uit. Dat plan gaat uiteindelijk mee de ruimtelijke procedure in. “We proberen in het landschapsplan zoveel mogelijk in te spelen op de wensen van de omwonenden. Daarnaast spelen ook factoren zoals cultuurhistorische waarden en de bestaande natuur een belangrijke rol. Ik kijk daarbij niet alleen naar een goede inpassing van het station, maar ook naar extra kansen. Hoe kunnen we bijvoorbeeld de al aanwezige flora en fauna versterken? Of kunnen we iets terug doen voor de omgeving, door bijvoorbeeld een mooie wandelroute te creëren?” Visualiseren is in het hele proces erg belangrijk. “Van de inpassingsmogelijkheden maken we visualisaties en 3D-beelden, zodat alle betrokkenen kunnen zien hoe het station er met bepaalde landschapsingrepen uit komt te zien. Beelden geven de betrokkenen vaak al veel duidelijkheid. We willen ook eerlijk laten zien hoe het beeld verandert, ook na de ingreep nog. Want beplanting heeft nu eenmaal tijd nodig om tot wasdom te komen. Uiteindelijk grijpen we in, in een omgeving waar mensen wonen, werken en recreëren. De stem van de omgeving vind ik dan ook erg belangrijk!”