Belangrijke thema’s

Tijdens de werkateliers kregen we veel vragen over de invloed van een hoogspanningsstation op de gezondheid. Wat is de invloed van geluid en elektromagnetische velden? Maar ook: hoe gaan we om met overstromingsrisico’s? Wat doet TenneT tijdens de aanleg om verzilting te voorkomen? En waarom kun je een hoogspanningsstation niet direct bij een windmolen bouwen? Deze thema’s komen hier aan bod.

Geluid

Een hoogspanningsstation veroorzaakt geluid. Met name de transformatoren veroorzaken een lage bromtoon. Daarbij geldt dat 380/150 kV-transformatoren meer geluid produceren dan de kleinere 150/20 kV-transformatoren. Bij het 380/150/20 kV-hoogspanningsstation bij Bergen op Zoom is dan ook meer geluid te verwachten dan bij het 150/20 kV- hoogspanningsstation op Schouwen-Duiveland.

Een normaal toelaatbare norm voor geluidsbelasting, overdag en buiten woningen, is in Nederland wettelijk gesteld op 50 dB(A). Voor de avond en de nacht gelden strengere waarden, respectievelijk 45 dB(A) en 40 dB(A). De laatste waarde is te vergelijken met de geluidsbelasting in een bibliotheek.

Geluidscontouren

Omdat de stationslocaties nog niet bekend zijn en de stations nog niet gerealiseerd zijn, kunnen we nog geen concrete metingen doen. In plaats daarvan laten we berekeningen maken, die een goede prognose geven van het verwachte geluid dat optreedt bij de hoogspanningsstations. Voor alle kansrijke locaties zijn geluidscontourenkaarten gemaakt. Deze berekeningen zijn uitgevoerd volgens de Nederlandse richtlijn ‘Handleiding Rekenen en Meten Industrielawaai’.

In de rekenmodellen voor geluidsniveaus wordt met veel aspecten rekening gehouden. Op hoofdlijnen zijn dat:

  • de geluidbronsterkte;
  • de frequenties die veroorzaakt worden door de bron;
  • de bedrijfsvoering (transformatoren staan dag en nacht aan, dus de nachtperiode is maatgevend voor het geluid);
  • de wijze waarop een transformator opgesteld staat;
  • welke objecten, zoals muren en gebouwen, er in de omgeving van het station staan die voor afscherming en reflectie zorgen;
  • de bodemgesteldheid (geluid kan weerkaatst of geabsorbeerd worden door de bodem. Als het geluid over een harde ondergrond gaat, zoals water of een verharde weg, dan draagt het geluid verder dan geluid dat over een absorberende bodem, zoals grasland, gaat);
  • het verschil in hoogte (als een woning significant hoger ligt dan een station dan wordt gekeken hoe dat geluid naar boven toe straalt naar de woning);
  • de weersinvloeden. Hiervoor wordt een jaargemiddelde correctieterm toegepast uit de eerdergenoemde handleiding.

Uitgebreid onderzoek

In het geluidsonderzoek dat later wordt uitgevoerd voor de definitieve stationslocaties, kijken we naar:

  • de gemiddelde geluidsniveaus, van de transformatoren;
  • de maximale geluidsniveaus of piekgeluiden van de schakelaars, die worden getoetst aan de richtlijnen en wat acceptabel is voor de omgeving;
  • de cumulatie met andere geluidssoorten zoals: weg/railverkeerlawaai, industrielawaai van bedrijven of industrieterreinen en vliegtuiglawaai (indien aan de orde).

Laagfrequent geluid

Laagfrequent geluid zijn de frequenties tot 100 á 125 Hz. Niet iedereen hoort deze frequenties, maar het laagfrequent geluid kan voor degenen die het wel horen als heel hinderlijk ervaren worden. Voor laagfrequent geluid zijn op dit moment geen wettelijke normen vastgesteld of richtlijnen aangewezen door de overheid. Wél wordt er bij het bepalen van de geluidscontouren rekening gehouden met een correctiefactor voor laagfrequent geluid.

Meer informatie over dit thema is te vinden op: www.tennet.eu/nl/ons-hoogspanningsnet/betrokken-bij-de-omgeving/geluid/

Magneetvelden en gezondheid

De rijksoverheid is verantwoordelijk voor beleid en regelgeving op het gebied van magneetvelden. In Nederland wordt voor de bescherming van de bevolking een referentieniveau van 100 microtesla gehanteerd. Dit referentieniveau is door de Europese Unie vastgelegd. Dit niveau wordt in Nederland nergens op voor het publiek toegankelijke plaatsen door bovengrondse hoogspanningsverbindingen overschreden.

Het Nederlandse voorzorgsbeleid voor nieuwe situaties gaat een stap verder. Voor nieuwe situaties adviseert de rijksoverheid aan gemeenten, provincies en beheerders van hoogspanningsnetten om bij bovengrondse hoogspanningslijnen uit voorzorg zoveel mogelijk te voorkomen dat kinderen langdurig verblijven in een magnetische veldsterkte die jaargemiddeld hoger is dan 0,4 microtesla. Dit beleid is leidend voor TenneT.

Concreet is het advies om geen woningen, scholen, crèches en kinderdagverblijven te bouwen in de nabijheid van een bestaande hoogspanningslijn en om bij het inpassen van een nieuwe bovengrondse hoogspanningslijn zo veel als redelijkerwijs mogelijk te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Als deze situaties toch ontstaan is er sprake van gevoelige bestemmingen en worden maatregelen genomen.

Het gaat daarbij in het voorzorgsbeleid officieel alleen om bovengrondse hoogspanningslijnen. De gezondheidsraad heeft de rijksoverheid onlangs geadviseerd om het voorzorgsbeleid uit te breiden naar andere bronnen, zoals ondergrondse elektriciteitskabels en transformatorstations. Wij volgen de ontwikkelingen op de voet, en luisteren in afwachting van het nieuwe voorzorgsbeleid goed naar de adviezen en nemen die zoveel mogelijk mee in de planvorming.

Voor magneetvelden rondom hoogspanningsstations hanteren we op dit moment contouren van 40 meter. Mogelijk wordt in het nieuwe beleid geadviseerd om 50 meter aan te houden. De contouren van magneetvelden vallen overigens zeer ruim binnen de contouren die we reeds voor geluid aanhouden; namelijk 300 meter. Er is dus een ruime marge.

Meer informatie over dit thema is te vinden op:

Verzilting

Verzilting van agrarische percelen is langs de gehele Nederlandse kustlijn geen onbekend fenomeen. Het klimaat verandert en de leveringszekerheid van zoet water en de toenemende verzilting in laag Nederland is dan ook een aandachtspunt. Zeker als er werkzaamheden zijn waarbij sprake is van bemaling en grondroering. Ook in Zeeland staat de beschikbaarheid van voldoende zoet water onder druk, er is te weinig aanvoer van zoet water. De zoetwaterschaarste wordt versterkt door verzilting van landbouwgronden. Wij zijn ons bewust van dit probleem en gaan er zeer zorgvuldig mee om.

Wij zijn open en transparant over de maatregelen die genomen worden om verzilting tegen te gaan. Verzilting is een terugkerend agendapunt tijdens de gesprekken die we voeren met perceeleigenaren en agrarische vertegenwoordigers. We doen er alles aan om verzilting te voorkomen. Voor we beginnen met de bouw van de stationslocaties en de aanleg van de kabel voeren we bodem- en veldonderzoeken uit.

Hoogwater

Wat gebeurt er met de elektriciteitsvoorziening bij hoogwater of overstromingen? Het is belangrijk dat het elektriciteitsnet blijft werken. Daarom besteden we samen met de andere netbeheerders veel aandacht aan klimaatadaptatie van het energiesysteem. We berekenen de (overstromings)risico’s van onze kritische infrastructuur en brengen de mogelijke gevolgen in kaart. We kijken daarbij ook naar overstromingsrisico’s door overvloedige regenval. Daarnaast analyseren we het gedrag van energienetten en transformatorstations bij bepaalde waterstanden en maken we berekeningen van uitvalgebieden en hersteltijden. Soms zijn ingrijpende aanpassingen nodig, zoals bijvoorbeeld het verhoogd realiseren van nieuwe hoogspanningsstations, of het ophogen van de bestaande installaties.

Bij de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation stellen we een overstromingsprofiel op. We kijken daarbij niet alleen naar de bestaande doorbraak-scenario’s, maar ook naar de toekomstige situatie, na bijvoorbeeld dijkversterking. Dat levert een waardevolle database op met onder andere gegevens over het overstromingsrisico, de mogelijke waterdiepte daarbij en het type water – zoet, zout of brak. Aansluitend hierop volgen studies naar de daadwerkelijke invloed van hoogwater op het functioneren van het hoogspanningsnet en het elektriciteitssysteem.

Zodra de stationslocaties bekend zijn, voeren we deze studie uit.

Windturbines

In het kader van de energietransitie is er een opgave voor windenergie en worden er nieuwe windturbines gebouwd. Sommige windturbines staan, of komen dicht bij de kansrijke locaties voor de hoogspanningsstations. Ook hier speelt veiligheid een rol. Een windturbine heeft een aantal risico's, namelijk het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad, het omvallen van een windturbine door mastbreuk of het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor. Daarnaast bestaat het risico van afbreken van ijzel op de wieken en het wegslingeren hiervan. Om die reden moeten we rekening houden met een veiligheidscontour rondom een windmolen. De grootte van die zogenaamde 'risicozone' ligt aan het type mast. De hoogte en het toerental zijn van invloed op de werpafstand. Omdat we nu nog niet van alle windmolens in het gebied gegevens hebben, houden we rekening met de maximale werpafstand bij nominaal toerental, te weten 245 meter.

Bovengronds of ondergronds?

We hateren het beleid dat nieuwe verbindingen van 110 kV en 150 kV zoveel mogelijk met een ondergrondse kabel worden aangelegd. Verbindingen tot en met 150 kV zijn relatief eenvoudig ondergronds aan te leggen. De bedrijfsvoering is gebaseerd op bewezen technologie en de kosten van aanleg en bedrijfsvoering zijn vergelijkbaar met de kosten voor een bovengrondse verbinding. De 150 kV-verbinding tussen Schouwen-Duiveland en Bergen op Zoom wordt om die reden volledig ondergronds aangelegd.

Op 220 kV- en 380 kV-spanningsniveau is het nog een stuk minder gebruikelijk om de verbinding ondergronds te leggen. Technisch is het weliswaar mogelijk deze verbindingen ondergronds aan te leggen, maar de bedrijfsvoering op deze spanningsniveaus verkeert nog in ontwikkeling. Er treden meer storingen op en het risico op netinstabiliteit is beduidend groter dan bij bovengrondse verbindingen. Uit ervaring blijkt dat het oplossen van deze storingen veel tijd vergt (tot 480 uur per storing). Met het oog op de leveringszekerheid is het dus niet verantwoord om ondergrondse aanleg van 220 kV- en 380 kV-verbindingen grootschalig toe te passen. Er moet eerst wereldwijd meer ervaring worden opgedaan.

In Nederland wordt een ondergrondse 380 kV-verbinding inmiddels op een aantal locaties op kortere afstand (maximaal 20 kilometer) toegepast. Het gaat daarbij om niet-cruciale verbindingen. Vanwege de leveringszekerheid is het zeer ongewenst om kabels op te nemen in cruciale verbindingen, zoals de landelijke 380 kV-ring en de interconnectoren (verbindingen met het buitenland). De bestaande 380 kV-verbinding tussen Rilland en Geertruidenberg valt hier ook onder. Om die reden is het niet toegestaan om het nieuwe hoogspanningsstation bij Bergen op Zoom met een ondergrondse kabel in te lussen op de bestaande verbinding.

Ten zuiden van Bergen op Zoom wordt in de toekomst wel een deel van de nieuwe 380 kV-verbinding tussen Rilland en Tilburg (Zuid-West 380 kV Oost) ondergronds gebracht. Het is daar wel mogelijk omdat de nieuwe verbinding geen interconnector is en dus niet tot de kritische hoogspanningsring behoort. Daarnaast spelen daar meer factoren die verkabeling verantwoorden, zoals het doorkruisen van Natura-2000 gebied en een hoogteverschil.