Wegvliegeren

In het gebied van de nieuwe hoogspanningsverbinding leven allerlei diersoorten, zoals de rugstreeppad, de kleine plevier, de bontbekplevier, de oeverzwaluw en de scholekster (herkenbaar aan de oranje snavel). Met al deze dieren moeten we rekening houden tijdens de bouw.

Om te voorkomen dat een vogel zijn nest op de bouwplaats maakt, treffen we speciale maatregelen. Ontdekt de ecoloog toch een nestje met een broedende vogel, dan kan de bouw stil worden gelegd of passen we de uitvoering drastisch aan. En dat betekent, afhankelijk van de vogelsoort, een vertraging van enkele weken tot maanden. Een klein gelukje, de pasgeboren plevieren of scholeksters gaan direct met vader en moeder aan de wandel om voedsel te zoeken. Dan is de broedplaats dus ook snel weer vrij. De kleine plevier ziet braakliggend terrein met zand en gebroken puin, zoals een opstelplaats voor een bouwkraan, als de ideale broedplek. Hij maakt een ‘knikkerpotje’ en legt zijn gecamoufleerde eieren in het nestje.

Om de vogels, voor ze gaan broeden, te ontmoedigen gebruiken we roofvogelvliegers. Met wapperende linten en vliegers zorgen we voor onrust en is de plek minder aantrekkelijk. Na een tijdje hebben de vogels vaak toch door dat er niks aan de hand is, dus helemaal voorkomen dat vogels er gaan broeden blijft lastig. Zo bouwde een witte kwikstaart een nestje in een aggregaat, dat ook nog gebruikt werd. Toen de medewerkers vogelgeluiden in het apparaat hoorden, ontdekten ze het nest en werd het apparaat niet meer gebruikt.

Ook zandhopen op de bouwplaats zijn favoriet bij oeverzwaluwen. Ze nestelen graag in een steile zandhoop. Maar doordat we van de zandhopen een tentachtige berg maken, zoeken ze een ander plekje. Ook het talud rond de fundatie is een risico voor deze soort. Afdekken met gaas of zeil is dan een oplossing. Hiermee hopen we dat broedvogels de bouwplaats links laten liggen en op zoek gaan naar een rustigere plek om hun kroost groot te brengen.